Der, die, das, de, het — het lidwoord hoort bij het woord
Wie een Duits zelfstandig naamwoord zonder lidwoord leert, mag het later nog eens doen. Dat geldt ook voor le en la, el en la — en voor ons eigen de en het. Waarom het lidwoord op de kaart staat, en welke uitgangen je het meeste raadwerk besparen.
Vraag iemand die op de middelbare school Duits had wat hij achteraf anders zou aanpakken. Grote kans dat je dit hoort: meteen vanaf de eerste les het lidwoord erbij stampen. Moeilijk is zo'n lidwoord niet. Maar een woord dat je zonder lidwoord hebt geleerd, moet je later alsnog opnieuw leren, en dan zit de verkeerde versie er al in. Iedereen die Nederlands als tweede taal leert, kan met de en het precies hetzelfde verhaal vertellen.
Uitstellen werkt niet
Duits, Frans, Spaans, Italiaans, Portugees en Nederlands: in al deze talen hoort bij elk zelfstandig naamwoord een geslacht. En dat geslacht doet ertoe. Het bepaalt welk lidwoord je kiest, en meestal ook hoe de bijvoeglijke naamwoorden in de buurt worden verbogen en welk voornaamwoord je later gebruikt om naar het woord te verwijzen.
Duits maakt het je het lastigst. Er zijn drie geslachten, der, die en das, en het woord zelf verraadt bijna nooit welk het is. Neem het bestek op tafel: der Löffel (lepel), die Gabel (vork), das Messer (mes). Drie dingen naast elkaar, alle drie een ander geslacht. Logica zoeken heeft geen zin. Wat je onthoudt, is de combinatie lidwoord + zelfstandig naamwoord, als één woord.
Leer je eerst Messer en pas later het lidwoord, dan zitten er twee losse dingen in je hoofd die elkaar moeten terugvinden: het woord zelf, en een weetje over dat woord. Leer je in één keer das Messer, dan is het er maar één, en elke keer dat het woord opkomt, komt het lidwoord gratis mee. Meer valt er eigenlijk niet over te zeggen.
Zo staat het lidwoord op de kaart in Mullawo
In zes talen staat het lidwoord vóór het woord: Duits, Frans, Spaans, Italiaans, Portugees en Nederlands. Daar zet Mullawo het op de kaart er direct voor: die Hand, la main, la mano, de hand. Je ziet het alleen aan de kant van de taal die je leert. Wie als Nederlander Engels leert, heeft niets aan een de voor een woord uit zijn eigen taal.
Het lidwoord wordt niet berekend uit een etiket als 'mannelijk' of 'vrouwelijk', maar is voor elk woord apart opgeslagen. Daarvoor hebben de talen te veel eigenaardigheden:
- Frans laat de klinker wegvallen als er een klinkerklank volgt: l'eau, l'arbre, en dus nooit la eau.
- Italiaans gebruikt lo vóór z en vóór s gevolgd door een medeklinker: lo zio, lo studente.
- Spaans zet el voor vrouwelijke woorden die beginnen met een beklemtoonde a: el agua, el águila. Vrouwelijk blijven ze wel, en in het meervoud zeg je las aguas.
Al die gevallen zijn één keer per woord vastgelegd, zodat er op de kaart staat wat een moedertaalspreker echt zegt. Roemeens en Bulgaars ontbreken in het rijtje, en dat is geen vergissing: in die talen plakt het bepaald lidwoord achteraan het woord vast (casa, книгата). Vooraan valt er dus niets te zetten.
Lidwoorden staan standaard aan. Wil je liever het kale woord, bijvoorbeeld om snel een taal door te nemen waarvan je de geslachten toch al kent? Zet dan Lidwoorden tonen uit in Instellingen.
Uitgangen die het raadwerk voor je doen
Bij de korte, veelgebruikte woorden die je het eerst leert, lijkt het geslacht volstrekt willekeurig. Bij langere woorden is dat veel minder zo. Met een handvol uitgangen weet je het geslacht van een flink deel van alle zelfstandige naamwoorden, dus het loont om ze vroeg te leren.
Duits
- die: vrijwel alles op -ung, -heit, -keit, -schaft, -ion — die Zeitung, die Freiheit, die Mannschaft, die Nation.
- das: alle verkleinwoorden op -chen en -lein — das Mädchen (het meisje, en inderdaad: onzijdig), das Brötchen.
- der: de meeste woorden op -er voor iemand die iets doet — der Lehrer, der Fahrer.
- In het meervoud is het altijd die, welk geslacht het woord ook heeft.
Spaans en Portugees: eindigt een woord op -o, dan is het meestal mannelijk; op -a meestal vrouwelijk. Er zijn zo weinig uitzonderingen dat je ze stuk voor stuk kunt onthouden: el día, la mano, el problema; o dia, a mão, o problema.
Frans: -tion, -té en -ure wijzen meestal op vrouwelijk (la nation, la liberté, la voiture), -age en -ment op mannelijk (le fromage, le moment). Een harde regel is het niet, maar je zit er vaak goed mee.
Nederlands: voor jou vanzelfsprekend, voor wie het leert iets om te onthouden. de hoort bij het gemeenschappelijk geslacht, en dat geldt voor de meeste woorden. het is voor het onzijdige, dat in de minderheid is, en elk verkleinwoord op -je krijgt het: het huisje, het meisje.
Zie deze vuistregels als vangnet, niet als methode. Je leert de combinatie; de regel helpt pas als je een lang woord voor het eerst ziet.
Hardop, en met lidwoord
Je ziet het lidwoord meteen staan, en juist daardoor sla je het gemakkelijk over. Zeg het woord dus hardop als de kaart omdraait, in één adem — das Messer, niet Messer — en tik daarna op de luidspreker om het te horen. Heb je het vaak genoeg met lidwoord gehoord, dan klinkt het zonder ineens raar. Dat gevoel is precies waar je naartoe wilt: zo 'weten' moedertaalsprekers het geslacht, zonder dat ze ooit een regel hebben geleerd. Jij hebt toch ook nooit hoeven leren dat het het huis is en niet de huis?
Kort samengevat
- Laat de lidwoorden aanstaan. Behandel der, die of das als de eerste lettergreep van het woord, niet als een stukje grammatica.
- Woord goed, lidwoord fout? Kies dan Bijna. Dat is precies wat er gebeurde, en het woord komt iets eerder terug dan na een foutloos antwoord.
- Trek één avond uit voor de uitgangen hierboven. Die tijd verdien je terug bij elk nieuw lang woord dat je tegenkomt.